
De tien geboden van één God
Komen niet meer gelegen.
God is dood, zo heet het nu.
Dus zijn er nog maar negen.
De mammon en het gouden kalf
Wordt lof en eer gebracht.
In plaats van bidden vloekt men nu.
Dus zijn er nog maar acht.
Of 't zaterdag of zondag is
't Is voortaan om het even.
De dag des Heren kent men niet.
Dus zijn er nog maar zeven.
De ouders en de overheid
leren niet meer de les.
De jeugd weet alles beter, toch?
Dus zijn er nog maar zes.
In oost en west, in noord en zuid.
Gaat men elkaar te lijf.
Want vrede blijft een vreemd begrip.
Dus zijn er nog maar vijf.
Huwelijkstrouw? wat ouderwets.
Men leeft gelijk een dier.
De vrouw is enkel speelgoed nog.
Dus zijn er nog maar vier
't Mijn en dijn is uit de tijd
Hoe ik het ook bezie,
Want stelen vindt men heel gewoon.
Dus zijn er nog maar drie.
Laster gerust voor het gerecht
In kranten, voor tv.
De roddel is al jaren in.
Dus zijn er nog maar twee.
Begeer gerust uw buurmans vrouw
En die heus niet alleen.
Wie netjes leeft is achterlijk.
Dus is er nog maar één.
Géén afgunst om des buurmans goed.
Voltooid verleden tijd.
Er zijn dus geen geboden meer.
Zijn wij daar van bevrijd?
De stenen tafels eens van God
Door Mozes ons gegeven,
Zij zijn weer stuk,en wij staan weer
Alleen en stuurloos in het leven.
'tIs duister, Heer',verrijs opnieuw.
Laat deze storm bedaren.
Zodat wij bij een kalme zee,
Weer in Uw scheepje varen
(Een gebed om opstanding tot een nieuw leven)